Voetnoten wonen

1  De rechtsbasis daarvoor vindt u in artikel 27 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode: Als de gemeente rekening wil houden met de lokale binding van de kandidaat-huurder, kan voorrang gegeven worden aan de kandidaat-huurder :

1° die een aantal jaren, te bepalen in het toewijzingsreglement, in de gemeente woont of gewoond heeft;

2° die een aantal jaren, te bepalen in het toewijzingsreglement, in een deelgemeente, district, wijk of buurt van de gemeente waarin de toe te wijzen woning gelegen is, woont of gewoond   heeft;

3° die niet in de gemeente woont maar werkt in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is;

4° die niet in de gemeente woont maar wiens schoolgaande kinderen naar een school gaan in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is;

5° die in de hoedanigheid van mantelzorger activiteiten van zorg en bijstand verricht, als vermeld in artikel 4 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende de zorg- en bijstandsverlening ten aanzien van een of meer aanverwante personen met een verminderd zelfzorgver- mogen, wonend in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen   is;

6° die zorg en bijstand ontvangt als vermeld in 5° vanwege één of meer aanverwante mantelzorgers, wonend in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen  is.

De voorrang, vermeld in het eerste lid, geldt na de toepassing van de verplichte voorrangsregels, vermeld in artikel 19 en 21, en na, in voorkomend geval, de voorrangsregel voor doelgroepen, vermeld in artikel 28, en de afwijkende toewijzingsregels ter bevordering van de leefbaarheid, vermeld in artikel  29.

De gemeente beslist of ze een of meer bindingsfactoren, vermeld in het eerste lid, zal toepassen. De gemeente kan kiezen om aan de verschillende bindingsfactoren een zelfde gewicht te geven of een rangorde in te stellen. De gemeente beslist of de voorrang geldt voor alle sociale huurwoningen in de gemeente of een deel ervan.


2 Artikel 20, §1, 1° en 1° bis Kaderbesluit Sociale Huur dat nog steeds een zekere lokale binding oplegt.


3 Krachtens artikel 2/1 van het Overdrachtenbesluit van 29 september 2006, Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, geldt de volgende voorrang:

Artikel 2/1. (24/04/2017- ...)

Elke overdracht op basis van bijlage I en bijlage II, gevoegd bij dit besluit, gebeurt bij voorrang aan de woonbehoeftige particuliere persoon die een woning of kavel wil aankopen en die beschikt over een voldoende band met de gemeente waar het onroerend goed gelegen is.
Als verschillende woonbehoeftige particuliere personen een woning of kavel samen willen aankopen, moet minstens één van hen voldoen aan de voorwaarde vermeld in het eerste lid om van de voorrang te genieten.
Een woonbehoeftige particuliere persoon die een woning of kavel wil aankopen, beschikt over een voldoende band met de gemeente als hij op datum van de toewijzing van de woning of de kavel voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden :
1° gedurende ten minste zes jaar onafgebroken gewoond hebben in de gemeente of in een aangrenzende gemeente, gelegen in het werkgebied van een sociale huisvestingsmaatschappij;
2° werkzaamheden verrichten in de gemeente, voor zover deze werkzaamheden gemiddeld ten minste een halve werkweek in beslag nemen;
3° op grond van een zwaarwichtige en langdurige omstandigheid een maatschappelijke, familiale, sociale of economische band met de gemeente hebben opgebouwd.


4 De werking van Vlabinvenst apb vindt z’n grondslag in het decreet betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid en een specifiek welzijns- en gezondheidsinfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant aan de provincie Vlaams-Brabant van 31 januari 2014 (titel vervangen bij decreet van 22 december 2017, art. 2, I).

Artikel 3. (01/01/2018- ...) van dit decreet bepaalt de omschrijving van het te voeren beleid:

De provincie Vlaams-Brabant en in het bijzonder Vlabinvest apb zijn bevoegd voor het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant. Ze voeren dat beleid uit, aanvullend op het Vlaamse woonbeleid en in het bijzonder het Vlaamse sociaal woonbeleid.

Die bevoegdheid omvat in het bijzonder :
1° het voeren van een grondbeleid en het realiseren van woonprojecten met een sociaal karakter in de gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant;
2° de uitbouw van voorzieningen die noodzakelijk worden geacht om het Vlaamse karakter en een hoogwaardige woonkwaliteit in deze regio te behouden of te bevorderen.

Een woonproject met sociaal karakter als vermeld in het tweede lid, 1°, is een woonproject als bedoeld in artikel 42bis van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.

Meer info op: https://www.vlaamsbrabant.be/vlabinvest/index.jsp

Het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest APB, werkwijze van het beoordelingscomité  en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest APB (bstuursmemoriaal nummer 3 van 20 maart 2014) bepaalt in zijn artikel 2:

Art. 2. §1. De woningen en de kavels binnen een woonproject met sociaal karakter die gefinancierd zijn met middelen van het Investeringsfonds of van Vlabinvest APB, worden door het directiecomité van Vlabinvest APB beschikbaar gesteld voor verhuring, erfpacht of verkoop, na beoordeling van de kandidaat-huurders, -erfpachtnemers of –kopers, door het beoordelingscomité, vermeld in artikel 5. De woningen en de kavels binnen een woonproject met sociaal karakter die niet gefinancierd zijn met middelen van het Investeringsfonds of van Vlabinvest APB, worden door de initiatiefnemer beschikbaar gesteld voor verhuring, erfpacht of verkoop, na beoordeling van de kandidaat-huurders, - erfpachtnemers of –kopers, door het beoordelingscomité, vermeld in artikel 5.

§2. Voor de beschikbaarstelling van woningen of kavels binnen het woonproject met sociaal karakter, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, geldt in elke fase van het project een absolute voorrang voor de kandidaat-huurders, -erfpachtnemers of –kopers, die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkgebied.


5 In artikel 2/2 van het Overdrachtenbesluit wordt de gecumuleerde werking van beide systemen geregeld met betrekking tot sociale koopwoningen.


6 Decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid (B.S.15/05/2009).


7 Artikel 2.1. van het Decreet Grond- en Pandenbeleid (DGPB) definieert een bescheiden woonaanbod enkel aan de hand van enkele volume- en oppervlakte normen. Er wordt geen gewag gemaakt van enige inkomensvoorwaarde. 

Art. 2.1. 1° bescheiden woonaanbod : het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels, met uitsluiting van het sociaal  woonaanbod, dat met behoud van de toepassing van artikel 4.2.2, § 1, tweede lid, en artikel 4.2.4, § 1, tweede lid, bestaat uit :

a) kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2;

b) eengezinswoningen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m3;

c) overige woningen met een bouwvolume van ten hoogste 240 m3, te verhogen met 50 m3 voor woningen met drie of meer slaapkamers;


8 Dit ligt vervat in artikel 7, §2 van het Besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2011, Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode:

“Als een sociale huisvestingsmaatschappij of de VMSW optreedt als initiatiefnemer, wordt een woning of kavel als volgt overgedragen met behoud van de toepassing van artikel 3, § 2 : 1° sociale koopwoningen en sociale kavels als vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 23° en 25°, van de Vlaamse Wooncode, worden overgedragen volgens het Overdrachtenbesluit; 2° koopwoningen en kavels die gefinancierd zijn metmiddelen van het Investeringsfonds en koopwoningenenkavels die deel uitmaken van het bescheiden woonaanbod, gerealiseerd krachtens artikel 41, § 2, van de Vlaamse Wooncode, worden verkocht overeenkomstig boek III, titel VI van het Burgerlijk Wetboek, of worden in erfpacht gegeven overeenkomstig de wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht.”


Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot bepaling van de nadere regeling met betrekking tot het Rollend Grondfonds. De middelen van dit fonds kunnen aangewend worden in de volgende gemeenten uit Vlaams-Brabant:

Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Bierbeek, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Haacht, Halle, Herent, Herne,  Hoeilaart, Holsbeek,  Huldenberg,  Kapelle-op-den-Bos, Keerbergen,

Kortenberg, Kraainem, Lennik, Leuven, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Lubbeek, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Oud-Heverlee, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren, Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst.

Art. 5: § 1. De middelen van het Rollend Grondfonds worden aangewend binnen het Vlabinvest-gebied volgens de krachtens hoofdstuk II van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 geformuleerde doelstellingen.

§ 2. In de gemeenten buiten het Vlabinvest-gebied die behoren tot het werkingsgebied, vastgesteld bij artikel 4, kunnen de middelen van het Rollend Grondfonds op verzoek van een sociale huisvestingsmaatschappij of een gemeente aangewend worden ter financiering van een grondbeleidsmaatregel als volgende voorwaarden vervuld zijn :

1° de grondbeleidsmaatregel past in een grootschalig project. Onder een grootschalig project wordt verstaan :

  1. in de centrumsteden Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Ni- klaas en Turnhout, een project met een vloeroppervlakte van ten minste 5 000 m2 of een project met een grondoppervlakte van ten minste 5 000 m2;
  2. elders in het Vlaamse Gewest, een project met een grondoppervlakte van ten minste 5 000 m2;

2° het project heeft een gemengde bestemming. De grondverwerving is gericht op de realisatie van in hoofdzaak een sociaal woonaanbod in combinatie met een andere bestemming, zoals zorgvoorzieningen, studentenhuisvesting, bescheiden woonaanbod, andere functiegebonden gebouwen;

3° in de gemeente waar de grondbeleidsmaatregel toegepast wordt, maakt de sociale huisvestingsmaatschappij een nota op wat betreft hun reservegronden in die gemeente. Daarbij geeft de sociale huisvestingsmaatschappij aan welke visie en ontwikkelingsperspectief die gronden hebben.


10 Artikel 5, §2, 2° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot bepaling van de nadere regeling met betrekking tot het Rollend Grondfonds.minder relevant want betreft de gemeenten die niet binnen het Vlabinvestwerkgebied vallen.


11 VVSG, ‘Regie en coördinatie door lokale besturen’, p. 6: ‘Via de Vlaamse Wooncode krijgen de gemeenten en steden een regierol toegemeten. De gemeenten trachten de woonprojecten en acties van de sociale woonorganisaties, het OCMW en hun eigen diensten op elkaar af te stemmen. Ze trachten dit te bekomen door het overleg tussen deze actoren te bevorderen. De Wooncode geeft gemeenten de mogelijkheid om sociale woonorganisaties en OCMW samen te roepen voor overleg en verplicht de actoren om op deze vraag in te gaan (art. 28§2 VWC). Deze bij decreet toegewezen regierol is niet beleidsbepalend maar ondersteunend van aard. Het gemeentebestuur heeft immers geen instrumenten om de verschillende actoren te verplichten om de gemeentelijke visie te implementeren.’